Diagnostische fase

In deze fase bespreekt u met de therapeut welke hulp u nodig heeft. Het is dan belangrijk dat u de therapeut vertelt wat u verwacht van de behandeling en wat uw wensen zijn. Daarnaast vraagt de therapeut welke klachten u heeft en bespreekt hij met u welke behandelingen er mogelijk zijn.

De therapeut doet diagnostiek met:

Een vraaggesprek

De therapeut wil eerst van u weten wat u wilt bereiken met de therapie. Dit heet ook wel ‘de hulpvraag’. Daarnaast vraagt de therapeut naar uw gezondheid, en vooral naar de klachten die u heeft van de artrose. Uw klachten kunnen lichamelijke klachten zijn, zoals pijn, het niet goed kunnen bewegen van de gewrichten en verlies van spierkracht. Daarnaast kunt u ook klachten hebben in uw dagelijkse functioneren. U kunt misschien minder sociale activiteiten doen zoals sporten, of u kunt uw werk of huishouden minder goed doen.

Komt u zonder verwijzing van een arts bij een therapeut? Dan is het mogelijk dat de therapeut eerst nog aan uw huisarts vraagt wat hij van uw klachten vindt, voordat de therapeut de behandeling start.

Een lichamelijk onderzoek

Door een lichamelijk onderzoek krijgt de therapeut nog meer informatie over de artrose en over de gezondheid van de rest van uw lichaam.

Uw fysiotherapeut onderzoekt uw lichaam vooral op dingen die met de artrose te maken hebben. Hij kijkt of uw gewricht dik is, of uw gewricht een andere kleur heeft en of uw gewricht een andere stand heeft (Dan heeft u bijvoorbeeld x-benen of o-benen). Na een operatie bekijkt hij of uw wond goed herstelt. En hij kijkt hoe u activiteiten uit uw dagelijks leven doet, zoals het opstaan uit een stoel of traplopen.

Vervolgens onderzoekt hij nog beter hoe goed uw gewricht functioneert. Hij onderzoekt de beweeglijkheid van het gewricht, en mogelijk ook de beweeglijkheid van andere gewrichten. Daarbij controleert hij ook de temperatuur van het gewricht en de gevoeligheid van uw spieren. Daarnaast test hij de spierfunctie door naar een aantal zaken te kijken: de spierkracht, het uithoudingsvermogen van de spier, de stabiliteit en de lengte van de spier. De spierfunctie is belangrijk omdat een goede spierfunctie helpt bij het herstellen en voorkomt dat de artrose erger wordt.

Eventueel kijkt de therapeut ook naar andere belangrijke aspecten, zoals uw conditie en uw lichaamsgewicht.

Het gebruik van één of meerdere meetinstrumenten

Meetinstrumenten zijn zowel vragenlijsten als lichamelijke testen. Vragenlijsten helpen om te kijken wat uw klachten zijn en helpen om te bepalen wat u zelf met de behandeling wilt bereiken. Lichamelijke testen meten wat u lichamelijk kunt. Een lichamelijke test is bijvoorbeeld een test van uw spierkracht. De vragenlijsten en de lichamelijke testen kunnen later nog een keer gedaan worden. Dan kan de therapeut de twee testen vergelijken en zo is goed te zien of u vooruit gegaan bent en of u minder klachten heeft.  

De therapeut neemt de tijd voor deze drie onderdelen van de diagnostiek, zodat hij goed weet wat uw klachten zijn en wat uw hulpvraag is. Hierna beslist hij, samen met u, welke behandeling het beste voor u is.

Trefwoorden: